|
Op naar het jubileum - Met dubbeltjes en kwartjes naar handicap 6, 2008
Bron: AOC Nieuwsbrief Auteur: WK woensdag 17 december 2008 Aan het woord de heer Herman Wischmann (87). Bij een kopje koffie in ons clubhuis, dat hij pas in 1984 voor het eerst van binnen zag, graaft de voormalige caddie en oud-caddiemaster diep in zijn geheugen. Vroeger zocht hij naar ballen en nu naar woorden. Het is allemaal ook zo vreselijk lang geleden.
“Het was crisistijd. Vader werkeloos en ik kon niet naar de ambachtschool. Een oom van me werkte bij de firma Temmink. Een firma die een sportzaak en een tennispark exploiteerde. Daar kon ook wel een golfclub bij vonden ze daar bij Temmink. Dat werd dus de Amsterdamsche Golf Club en ik ging er in 1934, gestuurd door die oom, eens kijken of er bij al die rijke mensen voor een 13-jarige niet een centje te verdienen viel. Golf was voor een jongetje uit Betondorp een spel van een andere planeet en ik wist er dan ook totaal niets van. Dat was ook helemaal niet erg, want een tas dragen kan iedereen. En als je niets weet en dus ook niets te zeggen hebt, is je mond houden ook niet zo moeilijk.
"Maar luisteren en kijken deed je natuurlijk wel. Van de Pro Rooie Wim van Dijk stak je erg veel op als je al sjouwend met die tas gratis zo’n lesje meemaakte. En ik heb met honderden lessen meegelopen. Ook heb ik me rotgerend op de driving-range om die 30 weggeslagen ballen razendsnel weer terug op het matje te leggen. Er waren toen nog geen driving range ballen en dus moesten die dure eigen ballen gebruikt worden. Voor een uurtje draven kreeg je 10 cent. En kwam je terug met 29 ballen dan kon je fluiten naar je dubbeltje. Dat gold trouwens ook in de baan. Bal weg, dubbeltje weg.
“Natuurlijk hadden mijn medecaddies en ik een oplossing om aan die al te zuinige spelers toch iets te verdienen. We trapten gewoon wat ballen in de grond en bij een volgende ronde groeven we ze op. Voor een gulden per stuk verkochten we die dan aan zo’n krent. Ze hapten altijd toe, want nieuwe ballen waren in die tijd schaars en heel duur.
“We moesten wel een beetje rommelen, want het was geen vetpot om 10 cent voor negen en 25 cent voor achttien holes te krijgen. Met een paar slechte spelers was je al gauw bijna 6 uur in de baan voor die magere 25 cent. Tel uit je winst! En je had geluk als je dan ook nog al die naar links en rechts vliegende ballen had gevonden.
Op een gegeven moment betaalde de club ons een vast weekloon van fl. 4,80 maar daar moest je alle voorkomende werkzaamheden voor verrichten. Schoonmaken, greens onderhouden en wat er maar te bedenken viel. Maar nooit werk in het clubhuis. Daar mochten we niet in. Tot 11 uur ’s avonds moesten we aanwezig zijn en ook ’s zomers waren we present terwijl alle leden in Bergen aan Zee vakantie vierden.
“Natuurlijk stond er ook wel wat tegenover. We gingen zelf golfen. Stukken elektriciteitspijp bogen we aan het eind een beetje om. Dat waren onze clubs. Om zes uur ’s ochtends slopen we stiekem de baan in. Voerden alles uit wat we gezien en gehoord hadden. En al snel speelden we beter dan menig clublid. Soms hadden we zelfs een echte stok. Gekregen van een lid dat tevreden was over onze diensten. Daarmee ging het nog beter natuurlijk. Van elkaar leerde je en je leerde ook tellen. Op een gegeven moment had ik een single handicap.
“Na een staking vlak voor de clubkampioenschappen ging ons caddieloon omhoog naar 40 cent voor 9 en 75 cent voor 18 holes. Bovendien mochten we toen ook twee tassen tegelijk dragen. Het leek erop dat we echt gingen verdienen. Voor mij een beetje te laat, want ik zat inmiddels op de ambachtsschool en leerde voor metaalbewerker en technisch tekenaar. Alleen in het weekend was ik nog caddie. Tot aan de oorlog.
“Ach, over de oorlog zullen we het maar niet hebben. Toen die uitbrak was ik 19 en na de oorlog dacht je niet tegelijk aan golf. Ik heb me rotgewerkt bij Werkspoor en pas met de komst van het openbare Spaarnwoude ben ik weer een beetje begonnen. Verleren doe je het niet echt en met een ijzer 5 sloeg ik nog steeds precies 150 meter. Over andere kunstjes en gewonnen kampioenschappen zal ik hier niet opscheppen. Ik praat toch al teveel, terwijl ik juist geleerd heb om dat niet te doen.
“Nee mijnheer, ik vertel geen verhalen over clubleden en noem ook geen namen. Daar begin ik niet aan. Na mijn pensionering ben ik hier van 1984 tot 1998 caddiemaster geweest. Ik was 63 toen ik hier weer startte en 77 toen ik mijn werk overdroeg aan Willem Mulder. Ik kom hier nog met plezier en sla soms nog een balletje. Dat wil ik ook graag blijven doen. Maar 150 meter met een ijzer vijf haal ik niet meer hoor. Ze gaan nog wel recht. Golf, de AGC en nu dus de AOC zijn een deel van leven. Ik heb het hier allemaal zien komen en moet er niet aan denken dat ik het ook nog eens zie gaan.
"Nee, dan ga ik maar liever eerst”.
Opgetekend door W.K.
|