Inloggen  |  Wachtwoord vergeten?
ZOEKEN    
Aanleg 6 Aanleg golflinks Duivendracht 26 september 1934. Gemeentearchief Amsterdam. Vervaardiger onbekend.
Rolf Muntz op AOC, 2007 April 2007.
Oude  1951, Gemeentearchief. Collectie ruimtelijke ordening, vervaardiger dienst publieke werken, afdeling stadsontwikkeling.
Hole 4, 2006 - fairway Gefotografeerd vanaf hole 6. Foto uit 2006.
Clubhuis, 1936 Deze foto staat in het lustrumboek "50 JAAR Amsterdamse Golf Club", pagina 25, met als bijschrift:
"De genoeglijkheid zat er al vroeg in op de Amsterdamse. Het is de prijsuitreiking van de Haagsche Ooievaar in 1937. Mr K. Jansma zal het kostbare kleinood overhandigen aan Frans de Haan."
De foto staat ook afgedrukt in het lustrumboek "Amsterdamse Golf Club, 65 jaar, Een terugblik en vooruitblik, 1999". Daar wordt een ander jaartal genoemd in het bijschrift:
"Frans de Haan is in 1936 de eerste winnaar van de Haagsche Ooievaar. Op het terras van het clubhuis reikt voorzitter Jansma hem de trofee uit."

AGC/AOC in de media

Pronkstukken - Amsterdam Old Course, 2009
Bron: Het Parool
Auteur: Steven van der Gaag
zaterdag 16 mei 2009
AOC in de rubriek 'Pronkstukken'. De titel van het artikel is 'De verborgen kamer van prins Bernhard'. Om het artikel te lezen, klik op de link hieronder of lees de tekst hieronder.

Pronkstukken - Amsterdam Old Course

De verborgen kamer van prins Bernard

Steven van der Gaag, Het Parool

“In het najaar liep hier nog een vos,” zegt Chris Veldkamp, golfjournalist en lid van golfclub Amsterdam Old Course. Een vos in de Bijlmer. Tijdens een wandeling langs de negen holes wordt deze gedachte met elke stap minder onwaarschijnlijk. Genoeg te eten. Een meerkoet zoekt met haar kroost de bescherming van een poeltje; de fazant stapt met een lichte, arrogante tred richting de green. Veldkamp: “Als hij daar maar niet poept.”
Een paadje leidt naar deze groene oase in het verrommelde gebied rond de Arena. “Hier liep het Zwarte Laantje, dat waarschijnlijk Amsterdam met het kasteel van de Heeren van Aemstel in Ouderkerk verbond,” zegt Veldkamp. Het clubhuis ligt aan het enige stukje dat resteert: Zwarte Laantje 4.
De Amsterdamsche Golf Club (A.G.C.) huurde in 1934 het Engelse architectenbureau Colt, Alison en Morrison in om voor de Duivendrechtsen polder een baan van achttien holes te ontwerpen. Vijf van deze oorspronkelijke holes liggen er nog steeds, gescheiden door lanen van bomen.
Een specht roert zich. Het gebied was ooit een vogelreservaat, maar dat was niet voldoende om de baan in zijn volle glorie te behouden. “De grond is namelijk van de Nederlandse Spoorwegen,” zegt Veldkamp.
De aanleg van de spoorlijn Schiphol-Weesp en station Duivendrecht betekende het einde van de achttien-holes baan in 1990. A.G.C. verhuisde naar een nieuwe baan in het recreatiegebied Houtrak. Circa 180 leden bleven de oude baan trouw en gingen onder de naam Amsterdam Old Course verder op een negen-holes baan.
“Eeuwig zonde,” vindt Veldkamp nog altijd. “In Engeland zijn golfbanen van deze architecten heilig.” Die status heeft Amsterdam Old Course niet. De laatste bedreiging vormde de Utrechtboog - de spoorverbinding tussen Utrecht en Schiphol - waarvan de betonnen peilers sinds 2006 als ingeslagen meteorieten tussen het groen staan. “Eind 2011 loopt het huurcontract af. We houden de vingers gekruist,” zegt Veldkamp bij terugkeer op het terras van het karakteristieke clubhuis – opgetrokken uit roodbruin baksteen en met een rieten dak.
“Veel mensen denken dat het een verbouwde boerderij is, maar de architect F.A. Warners heeft het daadwerkelijk als clubhuis ontworpen.” De verschraalde lucht in de 'woonkamer' verraadt dat hier menig feestje is gevierd. “Warners heeft de ruimtes bewust klein gehouden zodat de leden met elkaar in gesprek raakten.”
Waar mensen met elkaar in gesprek raken, ontstaan verhalen. Soms waar, soms niet. Maar ze worden overgedragen van lid op lid. Zo gaat het verhaal dat Prins Bernhard boven in een klein kamertje wel eens de nacht doorbracht.
Boven zijn de kleedkamers. De avondzon geeft de vele houten lockers een warme gloed. De ruimte is verder leeg, maar wie een locker openmaakt, stuit op prachtige stillevens van de golfsport: witte schoenen met een plukje gras aan de hak; twee clubs gekruist tegen de wand; een felgele golfbal onderin als een relikwie van een hole-in-one.
In de hoek zit een deur. Daarachter moet de verborgen kamer van Bernhard zijn.
Veldkamp opent het slot. Je verwacht een bed. Het blijkt een rommelhok. “Het is een leuk kamertje,” zegt Veldkamp. “Bernhard was een fanatiek golfer en regelmatig te gast op golfclubs in het hele land.”
Maar waarom heeft Bernhard hier geslapen? En met wie? Op zulke momenten sluit de vereniging zich als een mossel. Sommige verhalen reiken niet buiten de muren van de kleedkamer, de buitenstaander achterlatend met de gedachte dat een vos zijn streken niet verliest.
parool_aoc_2009.pdf
Permanente link Print dit item E-mail dit item


AOC in "Golfbanen van Nederland", editie 2009
Bron: Golfbanen van Nederland 2009
Auteur: Uitgever Dutch Filmworks
dinsdag 12 mei 2009
De 'recensie' van AOC in het boek 'Golfbanen van Nederland 2009' (ISBN/EAN: 9789085106821, uitgever: Dutch Filmworks bv, hardcover, verschenen: mei 2009, 216 pagina's). Om de recensie te lezen, klik op de link hieronder.


golfbanen_van_nl_2009.pdf
Permanente link Print dit item E-mail dit item


Op naar het jubileum - Met dubbeltjes en kwartjes naar handicap 6, 2008
Bron: AOC Nieuwsbrief
Auteur: WK
woensdag 17 december 2008
Aan het woord de heer Herman Wischmann (87). Bij een kopje koffie in ons clubhuis, dat hij pas in 1984 voor het eerst van binnen zag, graaft de voormalige caddie en oud-caddiemaster diep in zijn geheugen. Vroeger zocht hij naar ballen en nu naar woorden. Het is allemaal ook zo vreselijk lang geleden.
“Het was crisistijd. Vader werkeloos en ik kon niet naar de ambachtschool. Een oom van me werkte bij de firma Temmink. Een firma die een sportzaak en een tennispark exploiteerde. Daar kon ook wel een golfclub bij vonden ze daar bij Temmink. Dat werd dus de Amsterdamsche Golf Club en ik ging er in 1934, gestuurd door die oom, eens kijken of er bij al die rijke mensen voor een 13-jarige niet een centje te verdienen viel. Golf was voor een jongetje uit Betondorp een spel van een andere planeet en ik wist er dan ook totaal niets van. Dat was ook helemaal niet erg, want een tas dragen kan iedereen. En als je niets weet en dus ook niets te zeggen hebt, is je mond houden ook niet zo moeilijk.
"Maar luisteren en kijken deed je natuurlijk wel. Van de Pro Rooie Wim van Dijk stak je erg veel op als je al sjouwend met die tas gratis zo’n lesje meemaakte. En ik heb met honderden lessen meegelopen. Ook heb ik me rotgerend op de driving-range om die 30 weggeslagen ballen razendsnel weer terug op het matje te leggen. Er waren toen nog geen driving range ballen en dus moesten die dure eigen ballen gebruikt worden. Voor een uurtje draven kreeg je 10 cent. En kwam je terug met 29 ballen dan kon je fluiten naar je dubbeltje. Dat gold trouwens ook in de baan. Bal weg, dubbeltje weg.
“Natuurlijk hadden mijn medecaddies en ik een oplossing om aan die al te zuinige spelers toch iets te verdienen. We trapten gewoon wat ballen in de grond en bij een volgende ronde groeven we ze op. Voor een gulden per stuk verkochten we die dan aan zo’n krent. Ze hapten altijd toe, want nieuwe ballen waren in die tijd schaars en heel duur.
“We moesten wel een beetje rommelen, want het was geen vetpot om 10 cent voor negen en 25 cent voor achttien holes te krijgen. Met een paar slechte spelers was je al gauw bijna 6 uur in de baan voor die magere 25 cent. Tel uit je winst! En je had geluk als je dan ook nog al die naar links en rechts vliegende ballen had gevonden.
Op een gegeven moment betaalde de club ons een vast weekloon van fl. 4,80 maar daar moest je alle voorkomende werkzaamheden voor verrichten. Schoonmaken, greens onderhouden en wat er maar te bedenken viel. Maar nooit werk in het clubhuis. Daar mochten we niet in. Tot 11 uur ’s avonds moesten we aanwezig zijn en ook ’s zomers waren we present terwijl alle leden in Bergen aan Zee vakantie vierden.
“Natuurlijk stond er ook wel wat tegenover. We gingen zelf golfen. Stukken elektriciteitspijp bogen we aan het eind een beetje om. Dat waren onze clubs. Om zes uur ’s ochtends slopen we stiekem de baan in. Voerden alles uit wat we gezien en gehoord hadden. En al snel speelden we beter dan menig clublid. Soms hadden we zelfs een echte stok. Gekregen van een lid dat tevreden was over onze diensten. Daarmee ging het nog beter natuurlijk. Van elkaar leerde je en je leerde ook tellen. Op een gegeven moment had ik een single handicap.
“Na een staking vlak voor de clubkampioenschappen ging ons caddieloon omhoog naar 40 cent voor 9 en 75 cent voor 18 holes. Bovendien mochten we toen ook twee tassen tegelijk dragen. Het leek erop dat we echt gingen verdienen. Voor mij een beetje te laat, want ik zat inmiddels op de ambachtsschool en leerde voor metaalbewerker en technisch tekenaar. Alleen in het weekend was ik nog caddie. Tot aan de oorlog.
“Ach, over de oorlog zullen we het maar niet hebben. Toen die uitbrak was ik 19 en na de oorlog dacht je niet tegelijk aan golf. Ik heb me rotgewerkt bij Werkspoor en pas met de komst van het openbare Spaarnwoude ben ik weer een beetje begonnen. Verleren doe je het niet echt en met een ijzer 5 sloeg ik nog steeds precies 150 meter. Over andere kunstjes en gewonnen kampioenschappen zal ik hier niet opscheppen. Ik praat toch al teveel, terwijl ik juist geleerd heb om dat niet te doen.
“Nee mijnheer, ik vertel geen verhalen over clubleden en noem ook geen namen. Daar begin ik niet aan. Na mijn pensionering ben ik hier van 1984 tot 1998 caddiemaster geweest. Ik was 63 toen ik hier weer startte en 77 toen ik mijn werk overdroeg aan Willem Mulder. Ik kom hier nog met plezier en sla soms nog een balletje. Dat wil ik ook graag blijven doen. Maar 150 meter met een ijzer vijf haal ik niet meer hoor. Ze gaan nog wel recht. Golf, de AGC en nu dus de AOC zijn een deel van leven. Ik heb het hier allemaal zien komen en moet er niet aan denken dat ik het ook nog eens zie gaan.
"Nee, dan ga ik maar liever eerst”.
Opgetekend door W.K.





Permanente link Print dit item E-mail dit item


Dicht bij de mens bloeit het konijn helemaal op, 2008
Bron: De Volkskrant
Auteur: Peter van Ammelrooy
zaterdag 25 oktober 2008
Op Amsterdam Old Course zitten veel fazanten. Vandaar dit artikel uit De Volkskrant.

Het konijn is een paradoxaal beest, zegt een ecoloog. In Nederland lijkt het dier terug te keren na ziekten en ander ongerief.

Voor champagne is het nog een tikkeltje te vroeg, maar het gaat beter met het konijn in Nederland. Vier jaar geleden constateerde de toenmalige minister van Landbouw, Cees Veerman, dat het konijn op sommige plekken op een haar na uitgestorven was. Nu is de populatie terug op het niveau van begin jaren negentig, van voor de tijd dat een van oorsprong Chinees virus dood en verderf begon te zaaien.
Het heuglijke nieuws wordt gemeld door de Zoogdiervereniging VZZ in Arnhem, die zich baseert op recente tellingen. De afgelopen drie jaar leek het al alsof de konijnen in Nederland aan een comeback begonnen waren. Inmiddels is de trend zo onmiskenbaar, dat de VZZ woorden in de mond durft te nemen die tot voor kort ondenkbaar waren, zoals ‘toename’ en ‘herstel’.

Genoeg reden voor optimisme, zegt Jasja Dekker, ecoloog bij de VZZ en op het konijn gepromoveerd, maar hij houdt de kurk nog op de fles. ‘We zijn nog heel ver verwijderd van de aantallen die in Nederland in de jaren vijftig werden geteld.’

Gedurende een halve eeuw bevolkten miljoenen konijnen de bossen, akkers en duinen. De ontbossing, het oprukkende asfalt, de jagende mens en de allergrootste gelijkmaker vanaf 1954, de ziekte myxomatose, brachten in de jaren daarop de populatie aan de rand van de afgrond.

De konijnenstand kromp tot ‘enkele honderdduizenden’ dieren aan het begin van de jaren negentig, toen ook die ten prooi vielen aan een nieuwe ziekte, het viraal haemorrhagisch syndroom (VHS), dat in 1998 voor het eerst in China de kop opstak. Op sommige plekken hield 1 procent van de populatie manhaftig stand. Waar jagers vroeger in het jachtseizoen met 500 tot 600 trofeeën thuiskwamen, schieten ze nu nog amper vijf tot zes konijnen af. ‘Het zijn er soms zo weinig’, zegt Dekker, ‘dat jagers zeggen: laat maar lopen.’

De decimering van de konijnenstand leidde ertoe dat het dier op de ‘rode lijst’ kwam te staan, een internationale death row van diersoorten waarvoor de tijd langzaam wegtikt. Het konijn (Oryctolagus cuniculus) is nog steeds een van de 1.200 zoogdieren (op een totaal van 5.400 soorten) waarvoor de opsteller van de lijst, de International Union for Conservation of Nature (IUCN), het ergste vreest. Bij het vaststellen van die rode lijst, legt Dekker uit, wordt uitgegaan van de toestand in de jaren vijftig.

Er zijn meer redenen om de wederopstanding van het konijn met een ietwat getemperde vreugde te begroeten. ‘Landelijk zien we een behoorlijke toename’, zegt Dekker, ‘maar op sommige plekken blijft het herstel achter of uit.’

Er is voor dat fenomeen volgens hem nog geen eenduidige verklaring te geven. Een theorie die steeds meer steun geniet onder wetenschappers, is dat de natuurlijke resistentie van konijnen lijkt toe te nemen zodra de populatie op een bepaalde plek een bepaalde drempelwaarde weet te overschrijden. Het is, om een bekende volkswijsheid te parafraseren, maar goed dat konijnen zich voortplanten als... konijnen.

De gunstigste locaties voor grote aantallen konijnen bevinden zich opvallend genoeg veelal op een plek waar je ze niet zou verwachten: dicht bij mensen. Beheerders van sportparken, stadsplantsoenen en bedrijventerreinen kijken al jaren op van berichten over het uitstervende konijn, zegt Dekker. ‘Die roepen: ‘Kom maar bij mij kijken. Ik zie er alleen maar meer’.’

De door de mens beheerde plekken scheppen kennelijk een gunstige leefomgeving voor het konijn. Het zijn locaties waar de natuurlijke vijanden van het konijn, zoals de vos, niet komen. Gejaagd wordt er ook niet op bedrijfsterreinen of voetbalvelden.

‘Het gras wordt het hele jaar kort gehouden’, aldus Dekker, wat konijnen prettig vinden. Kortom: de situatie is er ideaal voor het dier om zich daar het hele jaar voort te planten, en niet alleen in het door de natuur gedicteerde seizoen.

‘Het is een bijzonder, paradoxaal beest’, concludeert Dekker. Nergens vertoont het konijn hetzelfde gedrag. In Europa is het hier en daar naatje, in Australië komen ze kogels tekort om te voorkomen dat het konijn het land overwoekert.

Dekker kent ook geen ander dier dat door plaag na plaag wordt bezocht. ‘We hebben recent natuurlijk wel een virus onder zeehonden gehad, en in de Verenigde Staten kampt de vleermuis met een schimmelziekte die huishoudt onder de populatie.’ Maar die worden niet door de zeven plagen van Egypte bezocht.

Copyright: de Volkskrant

Permanente link Print dit item E-mail dit item


De fazant, 2008
Bron: De Volkskrant
Auteur: Jean-Pierre Geelen
zaterdag 2 augustus 2008
Ook op Amsterdam Old Course zitten veel fazanten. Vandaar dit artikel uit De Volkskrant.

De fazant

Jean-Pierre Geelen

Het mannetje is een doorgesnoven polygame fat, maar toch verdient de fazant ons mededogen, vindt Jean-Pierre Geelen. Ooit was de vogel een exoot, maar waar het eigenlijk om gaat: hoe lang blijft een vreemdeling vreemd?

En dan nu even met z’n allen: KORHK-kuk (burr)!

U had hem natuurlijk meteen herkend: de fazant. Veel meer dan zijn schorre kreet (geciteerd uit de vogelgids) is er niet nodig om midden in een duinwandeling aan Grote Vragen te raken. Wat is echt, wat is waar en oprecht? Of waar het eigenlijk om gaat bij de fazant: hoe lang blijft een vreemdeling vreemd?

Ooit was hij allochtoon, maar het bont getooide beest zit hier al eeuwen. Niemand die zich er nog druk over maakt, en waarom zou je ook: de fazant doet geen vlieg kwaad, hooguit de salamandertjes die hij soms eet. Een baken van hoop voor de nu verguisde halsbandparkieten, Nijlganzen en andere pechvogels.

Wat? Fazant (Phasianus colchicus)
Waar? In open gebieden met struikgewas
Wanneer? Het hele jaar door
Kenmerken? Vrouwtjes lichtbruin, mannetjes bontgekleurd bruin-rood, met lange pluimstaart
Groot? 55-90 centimeter Alles komt altijd goed. De denneboom, het konijn: ooit waren ze hier allochtoon, maar wie zou ze willen missen? De knobbelzwaan, die oer-Hollandse fiere gestalte uit de KLM-reclames? Zijn voorouders waren alle gekooide en uit Oost-Europa geďmporteerde vogels die uit hun gevangenschap wisten te ontsnappen. De huismus – er waren tijden dat hij slechts in Azië leefde. Voor vreemdelingenhaters is alleen de woestijn het paradijs.

De fazant dus. Een vorstelijke vogel. Zijn bestaan hier is te danken aan de oude gewoonte in adellijke kring om elkaar dieren cadeau te doen. De fazant werd 1400 jaar geleden al door Chinese notabelen geschonken aan hun Nederlandse relaties. Ontsnapte, en later ook uitgezette exemplaren overleefden in de vrije natuur en de Hollandse winters.

Het vrouwtje is niet meer dan een schriel kipje – de vogelgids noemt haar ‘nogal non-descript’. Het mannetje daarentegen is een doorgesnoven polygame fat, met blauw-groen zijden sjaaltje om zijn hals. De Prins Carnaval onder de ‘vaderlandse’ vogels, maar dat komt natuurlijk door die malle, uitbundige pluimstaart.

Een groot, gaaf exemplaar kwam ik eens tegen op Amsterdam CS. Daar lag hij, naast perron 13b, vlak voor het treinstel dat hem even daarvoor moest hebben geschept in de polder. Een Makkelijk slachtoffer. Vliegen is niet zijn fort: zijn vlucht is slechts wieken, laag over de begroeiing; zijn weinig aerodynamische uitrusting en het te lompe lijf beletten deze bodemvogel verre trektochten te maken. Geen wonder dat jagers hem zo graag vetmesten en uitzetten – wie een fazant nog weet te missen, kan echt beter gaan klaverjassen.

Hem zien blijft bijzonder. ‘Op duizend veren heeft hij duizend ogen’, dichtte Kees Stip ooit. Die roestbruine gloed die oplicht als herfstig avondrood. Die felrode ooglapjes, uitlopend in losse lellen; de uitstekende ‘oorpluimpjes’. Dat zijden sjaaltje boven dat witte randje overhemd: hij is lachwekkend, maar ook aandoenlijk, deze sullige Abraracourcix.

Zo’n opzichtige aandachtvrager verdient ons mededogen. Al was het maar omdat op het internet meer liefdesverklaringen bestaan aan de gebraden variant dan aan de vrije vogel die hij is. Volgens de Dierenbescherming leggen jaarlijks 250 duizend fazanten het loodje door de jacht, nadat ze eerst zijn uitgezet. ‘Puur voor de lol van het jagen.’

Tijd voor rehabilitatie. Eerherstel!

Het huiswerk voor de komende week: groet de eerste fazant die uw pad kruist, en biedt hem een generaal pardon met een welgemeend KORHK- kuk (burr).


Permanente link Print dit item E-mail dit item




Sponsors

Adecco

Caddiemaster

T: 020 - 663 1766

Professional

T: 06 - 4501 3457
Winterlessen

Informatie

De driving range is in de week van maandag 15 maart t/m zaterdag 20 maart gesloten i.v.m. plaatsen van het nieuwe hek.
Donderdags Dames Wintercup, teesluiting 10:30-11:30 uur.
Evenementen in de Arena

Kantoor AOC

Maandag en donderdag geopend van 09:30 - 16:00 uur. Vrijdagochtend optioneel.
T: 020 - 694 3650
F: 020 - 663 4621
E: info@amsterdamoldcourse.nl

Vergaderen op de AOC

Voor informatie: Klik hier.

Baaninformatie


Horeca

Aanwezig om 10:00 uur. Op maandagen tot 16:00 uur.
T: 020 - 663 1286

Het Weer

  1°C
Wind: NE at 27 km/h

KNMI
Buienradar
Wegenradar
Eerste Hulp

Mail

Bestuur: info@amsterdamoldcourse.nl
Webmaster: webmaster@amsterdamoldcourse.nl

WAP en PDA

Infopagina voor WAP en PDA.


Powered by Xanti   |   Design by Cut-Up